Zonder rimpels

Gesprek in de vintage winkel, door twee meisjes van begin twintig:

‘He schat, ik kom even bij je langs! Ben je lekker aan het werk? Ik zoek namelijk een jurkje voor een bruiloft, liefst lichtblauw of geel.’
‘Oh my god, wie gaat er trouwen dan?’
‘De zus van Jenny, weet je wel. Maar zij zijn dan ook al super lang samen.’
‘Hoe lang is lang?’
‘Acht jaar. Ja, dan ben je er wel aan toe denk ik.’
‘Echt? Waarom zou je trouwen joh? En dan zo jong?’
‘Ja ik weet het ook niet, maar dan zie je er wel goed uit. Op je trouwfoto’s.’
‘Dat is waar. Zonder rimpels en zo. Als je voor de dertigste trouwt dan.’
‘He, ik ga even rondkijken hoor. Wat heb je hier allemaal in de winkel?’
‘Ja, doe dat. Dit is wel onze minste winkel – van de drie – met het slechtste aanbod.’
‘Echt? Nou dan ga ik weer verder kijken hoor schat. Werk ze nog. Doei!’
‘Doei darling!’

 

 

 

 

 

 

 

Advertenties

Zelfstandig

Het gekke aan moeder van twee kinderen zijn, vind ik: je ziet de kinderen elke dag en je weet dat ze groeien (mede doordat je ze te eten geeft, dat met wisselend enthousiasme wordt opgegeten) maar omdat je er zo met je neus bovenop zit, merk je het niet. Totdat je foto’s bekijkt van een paar maanden terug. Of je aan je zoon merkt dat hij ouder wordt en meer zelfstandig wil zijn. Letterlijk.

In mijn beleving is hij nog het jongetje van twee jaar oud waartegen je de hele dag kletst en je vooral jezelf hoort praten en die dan af en toe wat terug brabbelt. Of in duidelijke taal te kennen geeft dat hij iets niet (‘Nee sanja! Niette eten!’ waarna de lasagne op de grond eindigde) of  juist wel (‘Ikke wil dees! Mama dees!’) wil.

Maar deze jongen is ondertussen bijna acht en een half jaar oud en gaf recentelijk tijdens het avondeten aan dat hij ook Zelfstandig wilde zijn bij de naschoolse opvang. Want een meisje uit zijn groep was dat. We spraken erover wat dat dan inhield, zelfstandig zijn. Het betekende dat hij dan zonder begeleiding uit school naar de opvang mag lopen. En voor hem vooral van groot belang: zonder oranje hesje aan! Wat de niet-zelfstandige kinderen wel moeten. En ook mag hij zonder begeleiding buiten spelen bij de opvang. We concludeerden dat hij daar aan toe was, het lopen en het spelen, en vroegen bij de opvang een formulier om in te vullen en de afspraken hiervoor concreet te maken.

Die avond kon de grote kleine jongen niet slapen. Want opeens realiseerde hij zich welke verantwoordelijkheid hij nu droeg: alleen naar de opvang! Zonder de juffen. Want we hadden hem gezegd: ze wachten dan niet meer op jou als je er zelf naartoe mag lopen. En hij had ook in de wandelgangen vernomen dat het meisje waarmee hij samen wilde gaan lopen – waar hij zich op had verheugd – van de opvang zou gaan.

De volgende dag vroegen we het na bij de opvang en bij de ouders van het meisje. Alles bleek een storm in een glas water: de juffen wachten heus nog wel op de Zelfstandige kinderen (sterker, het duurt toch eindeloos voordat alle kinderen uit alle klassen klaar zijn om mee te gaan) en het meisje uit zijn groep ging nergens heen en kon dus gewoon zijn wandel/kletspartner worden voor de wandeling naar de opvang.

Maandag aanstaande gaat hij dan voor het eerst van school naar de opvang lopen, zonder hesje aan maar samen met zijn vriendin uit de groep. Het is dat ik dan op mijn werk zit, anders zou ik incognito (zonnebril op, vage regenjas aan, krant onder de arm) aan de overkant van de straat lopen om te kijken of het allemaal goed gaat. Want hij blijft mijn kleine jongen, hoe zelfstandig hij ook mag zijn.

 

40

Heel lang heb ik gedacht dat ik de 40 niet zou gaan halen. Dat het gewoon niet ging gebeuren, door alle ellende en ziekte en behandelingen die ik twaalf jaar geleden heb moeten doorstaan en alle andere heftigheden drie jaar later. Dat ik mezelf niet rijk moest rekenen met dit onbereikbare getal. Want het leven is onverbiddelijk en bijna werd ik niet ouder dan 27 dus hoezo zou ik dan ooit 40 worden? Ik zag het niet voor me.

Toen ik vorig jaar nauwelijks mijn verjaardag vierde, dacht ik steeds: doe ik hier wel goed aan? Moet ik niet pakken wat ik pakken kan, want wie zegt dat ik het kroonjaar wel haal? Het bleef een gedachte die in mijn hoofd rond sluimerde. Tot vandaag. Want vandaag is het dan toch echt zo ver: ik heb het zowaar gehaald! 40 jaar Swaan. En nu begin ik hebberig te worden. Want nu wil ik eigenlijk wel 50 worden, of nou ja, het liefst 80 of ouder. Hoe dan ook, I made it. Het was en is niet makkelijk te leven met de angsten voor een ziekte die je leven ingeslopen is. En met de lichamelijke en geestelijke gevolgen hiervan. Maar daar zal ik jullie nu niet mee lastig vallen. Nu is het tijd voor feest en taart en ballonnen en champagne! Happy birthday to me. Poe, 40 dus.

Mijn allergrootste wens? Om mee te maken dat ik oma word. Al is het maar van de hond of kat die mijn kinderen later in huis nemen. Zal ik er nu vast als een Jiddische mama over beginnen te zeuren bij de kinderen: Wanneer komen ze? Die kleinkinderen of honden of whatever? Ik verheug me op het oude vrouwtje dat ik ga worden. Op het leven: lechajem!

 

 

Het leven van een bakfiets

Een jaar geleden gingen we picknicken op een mooie meidag. Na de picknick, die om de hoek was van ons huis, gooiden we alle spullen in de bakfiets en zette ik ‘m op één slotje vast voor de deur. Ik zou immers later op de avond nog weggaan, dus dat kon wel even. We brachten de kinderen naar bed en toen ik een uurtje nadat we buiten waren geweest weer beneden kwam, was de bakfiets weg. Foetsie. Nergens te vinden. Ik begon aan mezelf te twijfelen. Ik had ‘m toch echt hier neergezet? Of stond de bak nog op het gras waar we hadden gezeten? Gehaast liep ik terug naar de picknickplek. Geen bakfiets te zien. Ik liep rondjes om ons gebouw of ik ‘m ergens zag staan? Hoe kon dit grote logge ding weg zijn? Op klaarlichte dag, binnen een klein uurtje?

We deden aangifte bij de politie, hingen briefjes op in de buurt, hielden Marktplaats in de gaten, fietsten zelf rond om te kijken of we ‘m zagen en vroegen aan buren en de mensen van de snackbar om de hoek of ze iets hadden gezien, maar niemand wist ons meer te vertellen. Onze ouwe trouwe bakfiets, waar we vier jaar lang met zoveel plezier op hadden rond gereden was echt weg. Ik kon het niet geloven. De kinderen waren heel verdrietig en wij boos. We hadden altijd braaf de verzekering betaald, maar kregen niks uitgekeerd omdat we het andere setje sleutels niet konden vinden.

En zo ging er een jaar voorbij. We besloten toch niet een tweedehands bakfiets te kopen want de kinderen waren er aan toe om meer zelf te gaan fietsen en zo tikten we allen tweedehands ‘gewone’ fietsen op de kop. Af en toe vroegen de kinderen: ‘Komt de bakfiets nooit meer terug?’ ‘Dat denk ik niet’ zeiden we dan weemoedig. Soms vroeg iemand ernaar: ‘Jullie hadden toch een bakfiets?’ Dan zei ik ‘Don’t mention the war.’ (uit Fawlty Towers – voor degenen die dat niet weten :-)).

Totdat we twee dagen geleden een brief in de bus kregen van de gemeente. Dat onze bakfiets was gevonden en dat we ‘m op konden halen bij het fietsendepot! M. belde om zeker te weten of het de onze was. Of er een foto gestuurd kon worden. En ja hoor: daar op de foto stond onze eigen oude bakkie. Enigszins toegetakeld, maar het was ‘m toch echt. En dus toog M. naar het depot om ‘m op te halen en stond onze ouwe trouwe bakfiets opeens weer daar!

Een flinke tijd heeft de fiets op een plein in de buurt gestaan, wist de mevrouw bij het depot te vertellen. Een plein niet eens zo heel ver van ons huis vandaan. Een duif schijnt een tijdje in de bak gewoond te hebben, zo te zien aan de poep en veren en takjes. Omdat de bakfiets er maar stond en er duidelijk weinig mee gebeurde, heeft de gemeente er op een gegeven moment een sticker op geplakt. Daarna is de bak afgevoerd naar het depot, heeft daar nog een tijdje gestaan en daarna kwam iemand op het idee om het serienummer eens in de computer te gooien: bingo! De aangifte kwam tevoorschijn, de brief werd gestuurd and the rest is history.

Het gekke is dat ik er in het afgelopen jaar nooit echt overheen was gekomen. Ik was echt nog steeds verdrietig over het feit dat iemand onze mooie, trouwe bak op klaarlichte dag voor de deur mee had durven nemen. ‘Waarom doen mensen dat?’ vroeg zoon Z. dan ook boos vlak nadat het gebeurd was. ‘Omdat ze zich vervelen en niet weten hoe sip wij hiervan worden’ antwoordde ik dan.

En nu, en nu: nu is bakkie weer bij ons komen wonen! Na al die tijd het huis uit. We zijn zo blij! Soms komt het toch nog goed. Nu moeten we er wel voor zorgen dat die kinderen zelf blijven fietsen de komende tijd. Hoe dan ook: welkom terug bakkie, we hebben je gemist.

bakfiets

Hey! Get out of my way

Of het aan mijn leeftijd, mijn slaapgebrek of toch aan anderen en niet aan mezelf ligt: de irritatiegrens ligt hoog tegenwoordig. Bij mij dan. Maar ook bij anderen en vooral in het verkeer. Waar ik dus echt niet tegen kan: mensen die de hele tijd vlak achter je blijven fietsen en niet inhalen als je inhoudt. Super irritant! En dan ook nog eens heel hard hoesten achter je. Echt, bloed onder m’n nagels.

En nog zoiets: ouders die voor de deur van de opvang staan om hun kroost op te halen en niet opzij gaan, zelfs geen millimeter, als ik er langs wil met de fiets met daarop twee kinderen. Het zijn overigens vooral vaders die dit (niet) doen, is mijn ervaring. En maar blijven staan alsof hun neus bloedt, want ze komen HUN kinderen ophalen en de rest van de wereld moet daarvoor wijken. Zucht.

Waar zijn de aardige, empathische, vriendelijke, nee-hoor-geen-probleem-mensen gebleven? Ik mis ze.

Open Dag

Er zitten al wat dames op leeftijd als ik druipend van de regen de kleine koffiekamer betreed. Aan een vrouw van de school die ons welkom heet, vraag ik of mijn mascara tot aan mijn kin is afgezakt. ‘Je ziet er prachtig uit.’ zegt ze. Of dat betekent of mijn mascara inderdaad overal zit of juist niet weet ik nu niet, maar ik besluit dat het niet uitmaakt. De dames op leeftijd hebben het over welke schrijfboeken door vrouwen zijn geschreven. ‘Kristien Hemmerechts. Ken je haar? Die heeft ook veel bijzondere dingen hierover op papier gezet.’

Met een kopje warme thee en een natte jas schuifel ik naar de ontvangstkamer waar al wat andere mensen klaar zitten. Vaders met dochters van in de twintig, dames van rond de vijftig, wat mannen en vrouwen van in de dertig of veertig – zoals ik – en een jongen die eruit ziet als zeventien. Ik zit op de stoel achter hem en hij ruikt naar Red Bull. Zenuwachtig kijkt hij de kamer rond. Ik voel me oud en jong tegelijk.

Eindelijk begint de introductie van de directeur. Hoe meer hij vertelt over de opleiding, hoe enthousiaster ik word. Ik wil dit ook. Hoe hard werken het ook is.

Daarna hebben we een proefles met een groepje van tien mensen. IJverig pennen ik en de anderen een uur lang mee met de opdrachten die we krijgen. Dan is het alweer afgelopen helaas. Hongerig storten we ons op de broodjes in de ontvangstkamer waarna we schuchter een gesprekje beginnen over of we ons aan gaan melden of niet. Ik spreek de docente die de proefles gaf. Een grande dame die alles wel eens meegemaakt schijnt te hebben. ‘Gewoon opgeven joh!’ zegt ze hartelijk.

Door de regen fiets ik heel blij weer naar huis.

Het kan dooien

Ik begrijp dus helemaal niks van die schaatskoorts die in het land heerst. Ja, het ziet er heel mooi uit, zeker – al dat ijs en die ijzel – maar dat ik niet kan wachten om mijn schaatsen uit (of in?) het vet te halen, nou nee, niet echt. Sterker nog, ik heb helemaal geen schaatsen. Toen er nog strenge winters waren (lees: de jaren ’90) en de grachten in Amsterdam elk jaar flink dicht vroren en mijn vrienden enthousiast na school de schaatsen aantrokken, stuntelde ik ook wel eens wat op het ijs. Met een stoel en op de kunstschaatsen van mijn moeder, that is. De schaatstraditie zit gewoon niet in onze internationale familie: mijn moeder leerde ook niet schaatsen van haar Engelse moeder, terwijl haar vader op de Holland Amerika lijn voer. Mijn Amerikaanse vader groeide op in grote steden, waar fietsen een hobby is voor kinderen en schaatsen alleen door ijshockeyers wordt gedaan.

Een keer heb ik een echte schaatstocht gemaakt in Waterland. Het was denk ik de winter van 1993 en samen met een klasgenoot zouden we de kortste route nemen, terwijl de andere klasgenoten voor de lange tocht gingen. Maar ergens halverwege hebben we toen een verkeerde afslag genomen, waardoor we opeens de 15 kilometertocht reden. Hij zonder handschoenen en ik op mijn kunstschaatsen. Het waren een paar van de langste uren uit mijn jonge leven. Eens en nooit meer, dat heb ik mezelf toen voorgenomen. Sindsdien heb ik me goed aan dat voornemen weten te houden.