Amsterdam, zondagochtend, 08.00 uur

Op de fiets door Amsterdam, op weg naar m’n werk. Wat is de stad toch mooi, zo vroeg in de ochtend. De zon schijnt op de donkergroene bladeren van de bomen langs de grachten en het is ontzettend stil, afgezien van een paar luidruchtig krijsende meeuwen en koeten.

Bij het Centraal Station zie ik een paar verdwaalde toeristen en mensen helemaal in het zwart gekleed die half slapend tegen een bushokje aanhangen. Aha, Sensation Black zal wel vannacht zijn geweest. Aangezien ik eerder deze week ’s ochtends vroeg helemaal in het wit geklede mensen her en der zag rondhangen.

Iemand veegt z’n stoep, verderop op de gracht is een man ijverig een boot aan het schuren. De klokken van de Westerkerk luiden en voor het Anne Frankhuis staat al een behoorlijk lange rij. 

Ik rij bijna twee dronken studenten aan, die midden op de weg lopen. “Halllloooooo!” lalt de ene. “Hallo,” zeg ik terug. “He, jij bent de eerste die ook Hallo terug zegt!” zegt de andere.

Advertenties

Thuis

Hij is thuis hoor, mijn M. Dankzij de hulp van vrienden S. en M. en de thuiszorg en de moeder van M.

Het was gisteren een hectische dag en we waren allebei om 19.00 uur totaal gevloerd en uitgekakt van alles. Maar wel heel erg blij dat we samen uitgeput konden zijn, hangend op de bank.

Onze kat Mus uitte haar blijdschap weer op een hele andere manier. Namelijk door vannacht tot 2 keer toe een vaas met bloemen om te gooien. Katten, vreemde wezens zijn het. Maar op de een of andere manier vergeef je ze alles.

My Boyfriend’s (almost) Back

Er is goed nieuws: M. mag morgen naar huis! Na bijna 3 weken in het ziekenhuis, is het dan zo ver. Er is natuurlijk nog een behoorlijk lange revalidatie-weg te gaan, maar het is stap 2, zullen we maar zeggen. Ook zullen er flink wat aanpassingen in het huis moeten worden gemaakt. Thuiszorg komt morgen een rolstoel, een looprek, een douchestoel etc. etc. brengen, dus het wordt passen en meten in ons kleine huisje.

Maar super fijn is het wel! Om dit te vieren, een enigszins toepasselijk liedje van The Angels. Wat niet helemaal klopt natuurlijk, want ik werd helemaal niet lastig gevallen door allerlei andere mannen terwijl M. weg was 🙂 Maar het zingt zo lekker mee.

Stap 1

Gisteren heeft M. voor het eerst in twee weken weer rechtop gestaan én enkele passen gelopen, met hulp van de fysiotherapeut en een looprek! Het was zwaar en heftig en emotioneel, maar een ontzettend goed begin.

Er is eigenlijk maar één woord voor: Hallelujah!

M. stelde daarna voor om naar een willekeurige kerkdienst te gaan en dat hij daar dan op miraculeuze wijze uit zijn rolstoel opstaat en gaat lopen. Omdat het belangrijk is dat mensen af en toe een wonder meemaken.

Ik zei:” Dat zien we dan wel weer.” Vooralsnog is het fantastisch en betekent dit ook dat hij waarschijnlijk aan het eind van de week ein-de-lijk naar huis mag, na drie weken in het ziekenhuis. Ik kan niet wachten!

What’s up?

Wat is dat toch? Als iemand aan je vraagt hoe het gaat en je antwoordt: “Mwah, niet zo goed eigenlijk,” of “Ik heb betere tijden gekend,” dat mensen schrikken en haast beledigd zijn dat je niet gewoon “Prima hoor! Niks te klagen” hebt geantwoord.

Want het is natuurlijk de bedoeling dat je gewoon “Goed” zegt en dat de ander zegt ook “Goed” en zo is iedereen blij en gelukkig. Want je moet wel met het spel meedoen en als je niet meedoet, ben je flauw en vervelend. En door mee te doen, veins je dat je in elkaar geinteresseerd bent.

Ik word zo moe van dat veinzen. Kunnen we niet gewoon tegen elkaar zeggen: “He, het gaat nu eigenlijk helemaal niet zo goed met me. Fijn dat je er even naar vraagt.” Of verwacht ik nu teveel empathie van mijn medemens?

Crosstown traffic

Nu vond ik mensen in het verkeer al roekeloos en egocentrisch, maar sinds M. is aangereden, stoort het me nog veel en veel meer. Hoeveel moeite is het nou om gewoon even te wachten tot het stoplicht op groen springt? Waarom moeten mensen zo nodig voordringen, waardoor ze uiteindelijk het stoplicht niet kunnen zien en dan alsnog in de weg staan? Waarom maken mensen rare manoeuvres waardoor ík extra op moet letten en ze mijn leven in gevaar brengen, terwijl ik me gewoon netjes aan de regels houdt? Waarom weten mensen de voorrangsregels niet? Hoe moeilijk is het?  Als je van rechts komt heb je voorrang, en bij haaientanden moet je stoppen en hebben zowel rechts als links voorrang.

Echt, als ik wat opvliegender was, zou ik de hele dag iedereen uitschelden in het verkeer. Maar ja, dat ligt niet in mijn aard. Soms zou ik willen dat het wel zo was. Zou enorm opluchten. Misschien toch maar eens proberen. Dus, oh wee als je roekeloos mijn pad kruist! Beware of Tha Bird! She’s mean, she’s lean and she’s ready to kill.

Dé ja vu

Het is raar om nu elke dag mijn lieve M. in het ziekenhuis op te zoeken waar ik zelf patiënt ben (geweest). Lopend door de lange gang naar de lift, passeer ik de diverse poliklinieken en komen er steeds weer allerlei flardes van herinneringen naar boven. Kijkend naar de mensen die her en der zitten te wachten, denk ik aan hoe ontelbaar vaak wij daar hebben gezeten, bij de poli oncologie of chirurgie, met de stress gierend door ons lijf. Wachtend op een uitslag van een MRI, wachtend op hoe de chemo dit keer was aangeslagen, wachtend op een bloedonderzoek. Altijd met M. trouw aan mijn zij.

Nu hij in het ziekenhuis ligt, ervaar ik hoe het voor hem moet zijn geweest, toen ik daar lag, drie jaar geleden. En hij maakt mee hoe het voor mij was. Ik kan je vertellen, het is aan beide zijden onzettend eenzaam. Ik ga er alleen heen en kom alleen thuis, in een leeg huis. Hij ligt dan wel op een kamer met drie andere mannen, maar echte leuke, vlotte types zitten daar niet bij. Het is er ontzettend warm en benauwd en van privacy kun je natuurlijk al helemaal niet spreken. Zelfs als hij onder de douche gaat, moet er meestal iemand mee aangezien hij noch kan lopen of staan, doordat allebei zijn onderbenen gebroken zijn. 

Ondertussen voel ik me een zombie. Ik werk, ga daarna naar het ziekenhuis, kom thuis, eet wat, kijk slechte tv, ga slapen. Of ik ga eerst naar het ziekenhuis en daarna werken. Uit meer bestaat mijn leven niet op het moment. M. en ik hebben bovendien het gevoel dat door zijn ongeluk onze hele ‘kankergeschiedenis’ juist weer enorm naar boven komt. Ook vanwege dit ziekenhuis, dat we zo goed kennen.

Ondertussen tel ik heus wel mijn zegeningen, en het voornaamste is: we zijn er nog allebei. Daar gaat het nu om. En het komt vast allemaal goed. Maar ik baal, baal, baal, dat ons leven weer in de wacht wordt gezet, zoals dat drie jaar geleden ook gebeurde.