Allochtoon

“Jij bent niet helemaal Nederlands, toch?” vraagt de Turkse taxi chauffeur.

“Eh nee,” antwoord ik.

“Een half bloed?”

“Nou eh, mijn vader is Russisch” zeg ik snel. Dat is niet waar, maar ik heb geen zin om mijn ingewikkelde achtergrond uit te leggen. En mijn Joodse roots vallen ook niet altijd in goede aarde.

“Aha. Ja, ik wil niet discrimineren hoor, maar half bloed mensen zijn anders dan blonde Nederlanders. “

Dit is denk ik als een compliment bedoeld. Dat wij, de donkerharige multiculti mensen aardiger zijn dan de gemiddelde botte, Hollandse kaaskop.

Ik lach vriendelijk en zeg:  “En ze zijn ook zo lang he! Die Nederlanders!”

De Turkse taxi chauffeur reageert hier niet op.

Het is even stil. Dan zeg ik: “En mijn moeder is Engels, dus ik ben ook een allochtoon.”

“Ja, ja.” Stilte. “Wat een wind he?” De Turkse taxi chauffeur gaat weer ouderwets verder over het weer.

 

Zand filosofie

’s Ochtends met Zef bij de zandbak in de buurt. Schepjes en vormpjes mee en graven maar.

Terwijl Zef een zandtaartje voor me bakt, verbaas ik me erover dat we altijd weer andere mensen tegen komen op dezelfde plek.
Elke keer weer zijn er andere kinderen met andere ouders bij de zandbak aanwezig.
Elke keer weer kijken wij (de ouders) elkaar beleefd doch vriendelijk aan, terwijl we elkaars kinderen observeren.
En wordt standaard ‘hoe oud is jouw kind’-gesprek gevoerd. En zeg je elkaar weer gedag op het moment dat er een echt gesprek dreigt plaats te vinden, omdat onze bloedjes van kinderen honger hebben/moe zijn/elkaar geslagen hebben (doorhalen wat niet van toepassing is). Zo begin je elke keer weer opnieuw aan het zandbakavontuur.

Hummer

Oslo. Half maart. Avond, donker en sneeuw. Hoewel in Nederland de lente al voorzichtig te voorschijn aan het komen was, liepen we hier in de hoofdstad van Noorwegen over glibberige ijsstraten en met handschoenen aan.

Omars Schuld was geselecteerd voor het Eurodok filmfestival van het Noorse film instituut en beleefde daarmee zijn internationale première. En wij mochten daarbij zijn, met z’n tweeën. Dus ook een luxe weekend lang uitslapen en elke avond uit eten. Terwijl Zef zich ondertussen prima vermaakte bij opa en oma.

Na de prijsuitreiking van het festival (Omars Schuld was genomineerd, maar een Zweedse film had gewonnen – we hadden niet anders verwacht) glibberden we door de slecht verlichte straten van Oslo naar het visrestaurant waar we eerder op de avond gereserveerd hadden, via de telefoon. In ons 100% Oslo boekje stond dat dit de plek was, waar je moest zijn voor vis van het seizoen.

Bij binnenkomst bleek het een behoorlijk chique restaurant te zijn, vol met zakenmensen en een groot bassin met levende kreeften. We werden hartelijk ontvangen door een blonde dame die ons uitgebreid het menu van de dag voordroeg, waar we ondanks haar goede Engelse uitspraak nauwelijks wat van onthielden. Eerst maar eens wijn.

In Noorwegen zijn er dus geen euro’s maar is de munteenheid de Noorse kroon. Die moet je ongeveer door acht delen en dan weet je wat het bedrag in euro’s is. Dat doe je dus niet de hele tijd, omdat het een gedoe is, maar als je het wel doet, kom je er achter dat alles een aanzienlijk stuk duurder is dan in Nederland.

We bekeken de wijnkaart en kozen voor een klein flesje wijn, want voor de prijs van een hele fles kon je bijna een easyjet vliegticket naar Londen kopen. En besloten dat we zin hadden in die kreeft. Kreeft bleek in het Noors ‘hummer’ te heten en je had twee soorten in dit restaurant: de Amerikaanse en de Noorse. Onze ober bleek een charmante Noor te zijn die eerst zei dat we een uitstekende wijn hadden gekozen en daarna zei dat kreeft er inderdaad goed bij paste. “Die is goed in zijn vak” zei ik tegen M. “Hij is gewoon aardig” zei M.

We vroegen wat het verschil was tussen de Amerikaanse en de Noorse, want bij de Noorse kreeft stond er geen prijs op het menu. Het had een eerste aanwijzing kunnen zijn. Onze lieftallige Noorse ober zei dat de Noorse kreeften een stuk groter waren en per ons verkocht werden. Maar dat de kreeften nu in het seizoen waren en dat ze flink groot konden zijn. Dus dat we het beste een Noorse kreeft konden nemen en die dan samen konden delen. En dat het echt niet zo veel scheelde qua prijs met de Amerikaanse kreeft. “Zie je, hij denkt met ons mee” zei M. Ik knikte. We gingen voor de Noorse kreeft.

Onze ober had gelijk, het was een flinke joekel die ‘hummer’. Er zaten heerlijke sausjes bij en we stortten ons vol overgave op het beest, met al het gereedschap dat we er bij krijgen. Na een klein half uur, lag er een slagveld van wat eens een schaaldier was op ons bord en zat het witte linnen tafelkleed vol vetvlekken. Het was heerlijk. Maar we waren nu moe, rozig en vol wilden terug naar ons hotel na een lange avond, dus we vroegen onze aardige ober om de rekening.

De rekening kwam en we deden wat we eigenlijk niet hadden moeten doen: we rekenden uit hoeveel dit diner ons had gekost, in euro’s. “Oh het valt nog best mee” zei M. Toen viel er een stilte. “Wat is er?” vroeg ik.
“Ehm, ik dacht dat het vierhonderd nog wat  kronen was,” zei M “maar eh…er staat ook een 1 voor.”

Ik ga niet verklappen voor welk belachelijk bedrag we een kleine fles wijn en een Noorse hummer hebben gegeten, maar laten we zeggen, dat we ook een aanbetaling voor ‘hummer de auto’ hadden kunnen doen. Of een televisie hadden kunnen kopen. Of nieuwe designerschoenen. Maar ach, het was verder een redelijk goedkoop weekend geweest, omdat onze vlucht en verblijf vergoed werden als gasten van het festival.

Zo glibberden we giechelend over de sneeuw terug naar ons hotel. Die ober bleek inderdaad goed in zijn vak te zijn.