Jarig

`Had jij kanker?’ Ik zit s ochtends vroeg in de klas van mijn zoon en het jongetje dat ik ga helpen met lezen kijkt me met grote ogen aan en stelt meteen maar de vraag die op zijn lippen lijkt te branden. Waarschijnlijk om te checken of mijn zoon wel de waarheid heeft gesproken. Misschien dacht de jongen in kwestie dat ik zou zeggen: ‘Nee joh, natuurlijk niet’ en dan zou hij mijn zoon kunnen plagen:’Het is niet waar! Je hebt gelogen!’ Even overweeg ik om negatief te antwoorden – het is nog vroeg en de vraag overvalt me – maar waarom zou ik dat doen? Het is waar, Zef heeft niet gelogen en zijn nieuwsgierigheid begrijp ik. Dus vraag ik rustig: ‘Heeft Zef dat gezegd over mij?’ Het jongetje knikt. ‘Dat klopt. Ik heb inderdaad kanker gehad’ zeg ik dan. Het jongetje brandt nu los: ‘Dan krijg je pillen waar je kaal van wordt en vaak gaan mensen dood.’ Hij kijkt er ernstig bij maar vindt het onderwerp duidelijk ook spannend. Zo rustig mogelijk (mijn stresshormonen gaan altijd even aan bij het woord *kanker*) vertel ik hem dat dat klopt maar dat je soms ook weer beter kunt worden, zoals ik. En ik vraag hem of hij mensen kent die kanker hebben gehad? Hij schudt van nee: ‘Maar ik heb wel de film “Achtste groepers huilen niet” gezien!”Oh ja? Nou, nu maar een leuker onderwerp vind je ook niet? Waar gaat je boek eigenlijk over?’ zeg ik zo ge├»nteresseerd mogelijk en hij slaat zijn boek over Vos en Haas open en begint te lezen. Ik adem uit.

Een klein voorval in mijn leven maar wel een voorbeeld van hoe ik bijna elke dag wordt geconfronteerd met of denk aan die rare tijd, alweer 11 jaar geleden. Van heftige behandelingen en geen haar. En dat ik niet wist hoe lang ik had en of ik ooit kinderen zou kunnen krijgen na de chemo. Maar dat het goed kwam en ik er nog was. En dat de kinderen er wonderbaarlijk genoeg allebei ook nog kwamen. De schatten van kinderen die mij vanochtend op mijn 39ste verjaardag wakker zongen en kusten met een tekening in de hand. Jarig zijn. Het betekent dat je nog leeft. Proost!

Kippie kippie kippie

Dat ik helemaal aan het buitenleven gewend was geraakt bleek bij thuiskomst: ik wilde de aspergeschillen bij het groenafval gooien en het oud brood aan de kippen geven. Een week lang kregen we elke ochtend maar liefst drie verse eieren van de gevederde vriendinnen. De vijf kakelende kipjes genaamd: the Spice Girls! Op de laatste dag bleek Posh uit het hok ontsnapt en liep los in de tuin. Ze was altijd al de meest eigenwijze van de vijf. Als kip dan. Het was ‘Chicken Run’, maar dan op het Brabantse platteland. s Ochtends lieten we het vijftal uit het hok.’Kom maar dames. Kom maar hoor.’ zei J. dan tegen de kippen, net zoals ze mij dat had horen doen en kwam Z. met een handje voer aan terwijl hij achter een kip aanliep: ‘Ik wil ‘m aaien maar het lukt niet. Paaaaapaaa, kun jij de kip vangen, pliieieies!’ Dan scharrelden de dames door de tuin, al poepend en pikkend. Soms kwam er bijna een kip op de trampoline, dan was er even paniek bij de kinderen. Bij de kippen evenzo.

En terwijl de kinderen en de kippen rondscharrelden, lag ik in de hangmat in de lentezon en mijmerde ik door over de vijftallen (Dolly Dots! The Jackson 5! Reservoir Dogs – zijn dat er wel vijf?) voor als ik ooit vijf kippen zou hebben. Of vijf poezen. Of het meest waarschijnlijk: vijf slakken.

Daarna ging ik qua mijmeren over wat we met al de eieren moesten doen. Want er viel bijna niet tegenop te eten. Wat mij dan weer aan ‘Forrest Gump’ doet denken als hij in het leger zit met Bubba: shrimp cocktail, shrimp omelet etc. etc. En dus maakten we zelf mayonaise met de eieren (verrassend makkelijk, maar de uitkomst was toch wat smakeloos helaas…dat moet dus nog een keer over), we bakten ze, we kookten ze, ik pocheerde ze (ook heel makkelijk blijkt!) en dacht na over romige salades en de heerlijke Deviled Eggs zoals mijn vader ze altijd maakte.

De definitie van vakantie wat mij betreft: nadenken over films, muziek en eten. En af en toe een pagina in een boek proberen te lezen. Het was heerlijk. Morgen weer terug naar het echte leven geloof ik.