Haas is de baas

Twee jaar geleden adopteerden we twee lieve kattenbroertjes van vier jaar oud, van een collega die naar Amerika remigreerde. Ze zochten een nieuw huis en nadat ik M. had overtuigd dat dat bij ons moest zijn en de kinderen door het dolle waren, kwamen ze bij ons wonen. We gaven ze nieuwe namen: eerst waren ze Tommy en Max, nu werden ze Vos en Haas. De meest rooie kater Vos en de kater met wit en rood werd Haas. Haas bleek wat bangig en bracht de eerste dagen door onder mijn bureau, Vos vond het allemaal wel prima, maar na een week of wat leken ze zich allebei thuis te voelen. Ze verkenden het balkon en het huis. Kat Vos trok naar zoon Z. toe en kat Haas werd als snel de lieveling van dochter J. Ze behandelde hem als een levende pop en noemde hem ‘haar dochter’ ook al was hij een kater. Ze droeg hem overal naartoe of sloot hem op in haar kamer om tegen hem te praten of zingen of met hem te spelen.

Acht maanden geleden kreeg Haas opeens gekke aanvallen. Hij leek de controle kwijt te zijn over zijn lichaam. Het was heel zielig. We brachten hem naar de dierenarts. Hij bleek ernstig nierfalen te hebben en de epileptische aanvallen waren hiervan het gevolg. Hij kreeg andere voeding en het leek de laatste tijd eigenlijk beter met hem te gaan. Maar de laatste twee weken at hij opeens nauwelijks iets en werd steeds meer een hoopje ellende. De levendige kat die ons altijd miauwend begroette bij thuiskomst lag te slapen of sleepte zich voort en stortte dan weer kermend in. Het deed ons denken aan de laatste weken van poes Mus, maar die was toen 17 jaar oud en Haas slechts 6.

Tegen de kinderen vertelden we dat Haas waarschijnlijk niet heel lang meer bij ons zou zijn. En toen M. met hem naar dierenarts ging, bevestigde ze ons vermoeden: Haas was zichzelf langzaam aan het vergiftigen en zijn tijd was op. Aan het eind van de dag gingen we met z’n vieren naar de dierenarts voor het definitieve afscheid. Z. was daarvoor vooral erg verdrietig. Hij had die dag huilend op het schoolplein gestaan en zijn juf van vorig jaar had hem getroost. Hij snapte dat het einde verhaal was. J. was vrolijk en kletsend maar toen Haas eenmaal het prikje had gekregen en bij haar op schoot lag, kwam het binnen: Haas was dood. Z. en J. mochten allebei een plukje haar van Haas afscheren om te bewaren. Daarna lieten we hem achter bij de lieve dierenarts. J. huilde de hele weg naar huis en riep: ‘Ik weet niet hoe dat moet met maar een kat!’

De volgende ochtend zei ze als eerste: ‘Ik dacht dat ik droomde dat Haas dood was, maar toen ik wakker werd, was het echt zo.’ Ach, de wijsheid en het verdriet van een 6-jarige.
Op school vertelden we de juf wat er was gebeurd, want  J. wilde het niet zelf zeggen. Toevallig is het thema bij haar nu Dieren en alles wat daarbij komt kijken dus J. kreeg uitgebreid aandacht voor het verlies van Haas gelukkig.

We zijn nu twee dagen verder en J. en Z. lijken het al een beetje te accepteren. Verder is het is wel heel stil in huis met maar een kat inderdaad. Vos lijkt het verrassend goed te accepteren maar is wel heel aanhankelijk en lijkt erg van de extra aandacht te genieten.
Hopelijk duurt het nog heel lang voordat we ook van hem afscheid moeten nemen. Dag Haas, je was een baas.

Haas op stoel
kat Haas
Advertenties

Regen, schrijven en (on)zin

Net op het moment dat ik vertrok barstte de regen los en begon het ook te onweren. Ik besloot dat terugkeren geen zin had en fietste, hardop vloekend, door de stromende regen naar de pont.
Het was weer tijd voor een schrijfweekend. Ditmaal op de woonboot van een collega die voor langere tijd op reis was. Druipend van de regen kwam ik op de woonboot aan met mijn weekend- en boodschappentas. Bij het uitpakken kwam ik er echter achter dat ik de melk voor mijn koffie in de ochtend vergeten was. Dus moest ik weer door de regen naar het dichtstbijzijnde winkelcentrum. Ik fietste natuurlijk eerst verkeerd en kwam weer in de stromende regen in een uitgestorven woonwijk terecht. Je moet er wat voor over hebben, zo’n schrijfretraite.
Toen ik het winkelcentrum eenmaal had gevonden, zag ik Peter Buwalda samen met een jonge vrouw – beiden zonder capuchon en drijfnat – met een boodschappentas door de regen lopen. Woonde hij hier in de buurt? Of was hij net als ik op bezoek en verdwaald?
De rest van het weekend bleef ik binnen en probeerde te schrijven of te lezen of keek een film. En dacht soms aan Peter Buwalda, daar lopend in de regen. Dat ik nog nooit een boek van hem heb gelezen. En of iemand überhaupt zit te wachten op wat ik op papier aan het zetten ben. En of het zin heeft om daar over na te denken. Ja, druk hoor, zo’n weekend voor jezelf.
Het is weer droog, zie ik nu door het raam van de woonboot. Tijd om weer naar huis te gaan. Ik ben benieuwd wie ik nu tegen ga komen.