Kleine monsters

Daar zaten we dan: in het Members Only vak met een prosecco in de hand, enigszins zenuwachtig wachtend tot het concert zou beginnen. Vriendin S. had via haar werk kaarten weten te ritselen en had mij uitgekozen om mee te gaan. Al maanden hadden we het erover maar nu was het dan eindelijk zo ver: Lady Gaga! Opgedoft en ingeglitterd zaten we klaar voor het – volgens een servicemedewerker van het Ziggo Dome – ‘het concert van het jaar’. Of zei ze dat bij elk concert?

Een grote roze digitale klok telde af tot het concert begon en daarna barstte er een show los die haar weerga niet kent. Al na twee nummers zei Gaga: Sta op (jawel, in het Nederlands!). Dus dat deden we braaf.  Het ene glitterpakje werd in een oogwenk vervangen door een ander, nog waanzinniger, glitterpak. De dansers hadden sowieso elk nummer wat anders extravagants aan en tussendoor werden er bizarre clips geprojecteerd op schermen in de zaal. Een totaalervaring zoals alleen megasterren dat doen. We dansten, we lachten en we huilden. Ik dacht de hele tijd aan Madonna. Zonder Madonna geen Gaga, maar het schijnt dat Madonna niet met Lady Gaga wil praten. Ik denk een typisch geval van jaloezie. Want Madonna zal toch moeten erkennen dat Gaga haar voorbij is gestreefd. Minstens vijftien jaar geleden zag ik Madonna optreden en het viel me toen enorm tegen: ze kon eigenlijk helemaal niet zingen (en zeker niet dansen tegelijk) en alles leek heel plichtmatig afgewerkt te worden.

Gaga zit ook vrij strak in het regime van de show, maar je voelt dat alles voor haar een noodzaak heeft. Dat ze niet anders kan dan haar hele ziel en zaligheid te geven. Lady Gaga noemt haar fans ‘Little Monsters’ en jawel,  ze zei het echt: ‘Hi Amsterdam, how are you doing Kleine Monsters!’ Ook kwamen we erachter dat met je hand een klauw maken het teken is om te laten zien dat je van Gaga houdt en zo’n monstertje bent. Hoewel ik toch ook steeds Borat in mijn hoofd hoorde die iets zei over ‘the Jew’ en zijn ‘claw. Maar dat is uit een ander decennium. Een andere eeuw zelfs. En dus lieten we onze klauwen aan Gaga zien en ze zag dat het goed was.

Het meest ontroerende moment vond ik toen er briefjes op het podium werden gegooid en Gaga er uitje oppakte en voor begon te lezen. Het bleek van een jongen uit Slovenië te zijn die hier met zijn beste vriendin naartoe was gekomen. Hij schreef dat Gaga meerdere malen zijn leven had gered, dat hij zich altijd anders had gevoeld, net zoals zij en dat zijn grootste wens was om haar te ontmoeten. Ze ging naar de voorkant van het podium en daar stond de jongen. Ze gaf hem een omhelzing en begroette zijn vriendin. Je zou bijna denken: was dit voor geproduceerd? Want Gaga lijkt niks aan het toeval over te willen laten tijdens haar show. Maar ik denk toch echt dat dit een mooie samenloop van omstandigheden was. De jongen huilde en het hele stadion huilde mee. De wereld was even prachtig en tolerant en divers en inclusief, zoals het zou moeten zijn.

Eerlijkheid gebied mij te zeggen dat ik uit mezelf waarschijnlijk geen kaartje voor deze show had gekocht. Maar ik ben zo blij dat vriendin S. aan mij dacht om mee te gaan en ik had dit voor geen goud willen missen! Vanaf nu ben ik ook een Kleine Monster. Klauwen omhoog.

 

Advertenties

De groep en het kasteel

Ik vind mezelf geen groepsmens. Ik kan wel functioneren in een groep maar over het algemeen kost me dat veel moeite en energie. Ik wijt dit altijd aan het feit dat ik enig kind ben: gewend om mezelf te vermaken en niet zo goed in groepsdynamiek.

Twee jaar geleden ontstond het idee bij enkele vrienden om samen Oud & Nieuw te vieren met een groep. Leuk voor de kinderen en daarom ook leuk voor ons. Ik vond het spannend, zo’n groep en het eerste jaar was het aftasten. Sommige mensen kenden elkaar goed en anderen kenden elkaar helemaal niet. Maar er ontstond een groepsgevoel waarbij we dezelfde humor deelden, er veel werd gedronken en heerlijk werd gegeten en het voelde goed. Vooral omdat de groep groot is, werkt het volgens mij: er is altijd wel iemand met wie je kunt kletsen, poolen of koken. Maar je kunt je ook even terugtrekken en dat is ook geen probleem, want iedereen let op elkaars kinderen en geeft elkaar de ruimte.

Dit jaar togen we met deze groep (ondertussen bestaande uit 23 volwassenen en 19 kinderen – 3 baby’s waren er ondertussen bij gekomen!) naar een kasteel in de Franse Ardennen. De heenweg was door een fikse sneeuwstorm en er was zelfs autopech bij een van de gezinnen. Door middel van de groepsapp hielden we elkaar op de hoogte en vingen we de gestrande vrienden met twee kleine kinderen op: de ene auto nam de mensen mee, de andere auto’s de bagage. Onze vriend die drie uur (!) bij de auto moest wachten op de wegenwacht werd uiteindelijk ook door vrienden naar het kasteel meegenomen. Blij viel eenieder elkaar die avond in de armen. We waren allemaal nog heel en het was tijd voor drank.

De week vloog voorbij en in tegenstelling tot eerdere jaren hadden we onze eigen kamers (in plaats van een slaapzaal) waardoor ik zelfs tot twee keer toe minstens een uur een boek heb kunnen lezen. Mijn kinderen zag ik nauwelijks, die trokken met de andere kinderen op en kwamen alleen langs als er een akkefietje was of als ze honger hadden.

Ondertussen waren wij volwassenen druk met praten, drinken, lachen en vooral heel veel en lekker eten (er zitten een paar ontzettend goede koks in het gezelschap!) en ook: spelletjes aan het spelen. Nog zoiets: ik hou dus niet van spelletjes, wat ik ook altijd aan mijn enig kind zijn toeschrijf. Maar in dit gezelschap kan ik het aan.

Op Oudjaarsavond trokken we allemaal wat moois aan en stonden we op een gegeven moment met een man of 15 in de grote kasteelkeuken oesters te eten en champagne te drinken terwijl The Prodigy door de speakers galmden. Daarna toog ik naar de ‘dansvloer’ (een gedeelte van de woonkamer die we vrij hadden gemaakt en waar de stereo stond en ik mijn telefoon inplugde voor mijn eigen playlist) en danste ik met vier anderen het nieuwe jaar in, tot er op een gegeven moment twee dronken Belgen binnen zwalkten die in het huis naast het kasteel verbleven. De volgende dag had ik spierpijn van het dansen. Nee, een beter begin van 2018 had ik me niet kunnen wensen!

Misschien moet ik ook maar concluderen dat ik stiekem toch een groepsmens ben. In bepaald soort groepen dan. Waar er goeie muziek wordt gedraaid (door mijzelf :-)), waar er lekker wordt gegeten en er fijne gesprekken gevoerd kunnen worden en vooral waar er veel humor aanwezig is. En waar die gesprekken dan over gingen? Ja dat zou je wel willen weten he….Maar je weet: what happens in the Castle, stays in the Castle!

 

Geduld

Het grootste misverstand over het ouderschap is wat mij betreft het idee dat ouders eindeloos veel geduld hebben. Dat heb ik dus niet, of nou ja heel weinig. Dat geduld. En ik kan je vertellen: ook dat weinige geduld wordt danig op de proef gesteld. Dat is nou eenmaal wat kinderen doen: kijken of ze niet TOCH dat snoepje mogen of TOCH nog langer op de iPad. Nou heb ik naast dat weinige geduld ook nog eens een stemmetje in mijn hoofd dat zegt: consequent blijven! Niet toegeven! Daar leren die kinderen niks van namelijk. Is het niet zo dat het opvoeden van kinderen erop neerkomt dat de kinderen in kwestie om moeten leren gaan met frustraties?

En zo ploeter ik voort met het ene kind hard gillend en het andere hard huilend. Zondagmiddag, ah, welk een heerlijke rust. En je komt ook zo lekker bij van de week. Even he-le-maal niks…Zelfs de buurvrouw sprak me laatst aan of het wel goed ging met ons en de kinderen? Want ze hoorde zoveel gegil…Tja. Wat kan ik zeggen? Als verweer voor haar opmerking: ze heeft zelf geen kinderen dus hoe gek je er ECHT van wordt, dat zal ze nooit kunnen begrijpen. En voor mijn eigen verweer: ik doe mijn best. Echt. Meer kan ik niet doen. Maar ik ben ook maar eens mens. Met weinig geduld. En een piep in mijn linkeroor van al dat gegil.

 

Zonder rimpels

Gesprek in de vintage winkel, door twee meisjes van begin twintig:

‘He schat, ik kom even bij je langs! Ben je lekker aan het werk? Ik zoek namelijk een jurkje voor een bruiloft, liefst lichtblauw of geel.’
‘Oh my god, wie gaat er trouwen dan?’
‘De zus van Jenny, weet je wel. Maar zij zijn dan ook al super lang samen.’
‘Hoe lang is lang?’
‘Acht jaar. Ja, dan ben je er wel aan toe denk ik.’
‘Echt? Waarom zou je trouwen joh? En dan zo jong?’
‘Ja ik weet het ook niet, maar dan zie je er wel goed uit. Op je trouwfoto’s.’
‘Dat is waar. Zonder rimpels en zo. Als je voor de dertigste trouwt dan.’
‘He, ik ga even rondkijken hoor. Wat heb je hier allemaal in de winkel?’
‘Ja, doe dat. Dit is wel onze minste winkel – van de drie – met het slechtste aanbod.’
‘Echt? Nou dan ga ik weer verder kijken hoor schat. Werk ze nog. Doei!’
‘Doei darling!’

 

 

 

 

 

 

 

Zelfstandig

Het gekke aan moeder van twee kinderen zijn, vind ik: je ziet de kinderen elke dag en je weet dat ze groeien (mede doordat je ze te eten geeft, dat met wisselend enthousiasme wordt opgegeten) maar omdat je er zo met je neus bovenop zit, merk je het niet. Totdat je foto’s bekijkt van een paar maanden terug. Of je aan je zoon merkt dat hij ouder wordt en meer zelfstandig wil zijn. Letterlijk.

In mijn beleving is hij nog het jongetje van twee jaar oud waartegen je de hele dag kletst en je vooral jezelf hoort praten en die dan af en toe wat terug brabbelt. Of in duidelijke taal te kennen geeft dat hij iets niet (‘Nee sanja! Niette eten!’ waarna de lasagne op de grond eindigde) of  juist wel (‘Ikke wil dees! Mama dees!’) wil.

Maar deze jongen is ondertussen bijna acht en een half jaar oud en gaf recentelijk tijdens het avondeten aan dat hij ook Zelfstandig wilde zijn bij de naschoolse opvang. Want een meisje uit zijn groep was dat. We spraken erover wat dat dan inhield, zelfstandig zijn. Het betekende dat hij dan zonder begeleiding uit school naar de opvang mag lopen. En voor hem vooral van groot belang: zonder oranje hesje aan! Wat de niet-zelfstandige kinderen wel moeten. En ook mag hij zonder begeleiding buiten spelen bij de opvang. We concludeerden dat hij daar aan toe was, het lopen en het spelen, en vroegen bij de opvang een formulier om in te vullen en de afspraken hiervoor concreet te maken.

Die avond kon de grote kleine jongen niet slapen. Want opeens realiseerde hij zich welke verantwoordelijkheid hij nu droeg: alleen naar de opvang! Zonder de juffen. Want we hadden hem gezegd: ze wachten dan niet meer op jou als je er zelf naartoe mag lopen. En hij had ook in de wandelgangen vernomen dat het meisje waarmee hij samen wilde gaan lopen – waar hij zich op had verheugd – van de opvang zou gaan.

De volgende dag vroegen we het na bij de opvang en bij de ouders van het meisje. Alles bleek een storm in een glas water: de juffen wachten heus nog wel op de Zelfstandige kinderen (sterker, het duurt toch eindeloos voordat alle kinderen uit alle klassen klaar zijn om mee te gaan) en het meisje uit zijn groep ging nergens heen en kon dus gewoon zijn wandel/kletspartner worden voor de wandeling naar de opvang.

Maandag aanstaande gaat hij dan voor het eerst van school naar de opvang lopen, zonder hesje aan maar samen met zijn vriendin uit de groep. Het is dat ik dan op mijn werk zit, anders zou ik incognito (zonnebril op, vage regenjas aan, krant onder de arm) aan de overkant van de straat lopen om te kijken of het allemaal goed gaat. Want hij blijft mijn kleine jongen, hoe zelfstandig hij ook mag zijn.

 

40

Heel lang heb ik gedacht dat ik de 40 niet zou gaan halen. Dat het gewoon niet ging gebeuren, door alle ellende en ziekte en behandelingen die ik twaalf jaar geleden heb moeten doorstaan en alle andere heftigheden drie jaar later. Dat ik mezelf niet rijk moest rekenen met dit onbereikbare getal. Want het leven is onverbiddelijk en bijna werd ik niet ouder dan 27 dus hoezo zou ik dan ooit 40 worden? Ik zag het niet voor me.

Toen ik vorig jaar nauwelijks mijn verjaardag vierde, dacht ik steeds: doe ik hier wel goed aan? Moet ik niet pakken wat ik pakken kan, want wie zegt dat ik het kroonjaar wel haal? Het bleef een gedachte die in mijn hoofd rond sluimerde. Tot vandaag. Want vandaag is het dan toch echt zo ver: ik heb het zowaar gehaald! 40 jaar Swaan. En nu begin ik hebberig te worden. Want nu wil ik eigenlijk wel 50 worden, of nou ja, het liefst 80 of ouder. Hoe dan ook, I made it. Het was en is niet makkelijk te leven met de angsten voor een ziekte die je leven ingeslopen is. En met de lichamelijke en geestelijke gevolgen hiervan. Maar daar zal ik jullie nu niet mee lastig vallen. Nu is het tijd voor feest en taart en ballonnen en champagne! Happy birthday to me. Poe, 40 dus.

Mijn allergrootste wens? Om mee te maken dat ik oma word. Al is het maar van de hond of kat die mijn kinderen later in huis nemen. Zal ik er nu vast als een Jiddische mama over beginnen te zeuren bij de kinderen: Wanneer komen ze? Die kleinkinderen of honden of whatever? Ik verheug me op het oude vrouwtje dat ik ga worden. Op het leven: lechajem!

 

 

Het leven van een bakfiets

Een jaar geleden gingen we picknicken op een mooie meidag. Na de picknick, die om de hoek was van ons huis, gooiden we alle spullen in de bakfiets en zette ik ‘m op één slotje vast voor de deur. Ik zou immers later op de avond nog weggaan, dus dat kon wel even. We brachten de kinderen naar bed en toen ik een uurtje nadat we buiten waren geweest weer beneden kwam, was de bakfiets weg. Foetsie. Nergens te vinden. Ik begon aan mezelf te twijfelen. Ik had ‘m toch echt hier neergezet? Of stond de bak nog op het gras waar we hadden gezeten? Gehaast liep ik terug naar de picknickplek. Geen bakfiets te zien. Ik liep rondjes om ons gebouw of ik ‘m ergens zag staan? Hoe kon dit grote logge ding weg zijn? Op klaarlichte dag, binnen een klein uurtje?

We deden aangifte bij de politie, hingen briefjes op in de buurt, hielden Marktplaats in de gaten, fietsten zelf rond om te kijken of we ‘m zagen en vroegen aan buren en de mensen van de snackbar om de hoek of ze iets hadden gezien, maar niemand wist ons meer te vertellen. Onze ouwe trouwe bakfiets, waar we vier jaar lang met zoveel plezier op hadden rond gereden was echt weg. Ik kon het niet geloven. De kinderen waren heel verdrietig en wij boos. We hadden altijd braaf de verzekering betaald, maar kregen niks uitgekeerd omdat we het andere setje sleutels niet konden vinden.

En zo ging er een jaar voorbij. We besloten toch niet een tweedehands bakfiets te kopen want de kinderen waren er aan toe om meer zelf te gaan fietsen en zo tikten we allen tweedehands ‘gewone’ fietsen op de kop. Af en toe vroegen de kinderen: ‘Komt de bakfiets nooit meer terug?’ ‘Dat denk ik niet’ zeiden we dan weemoedig. Soms vroeg iemand ernaar: ‘Jullie hadden toch een bakfiets?’ Dan zei ik ‘Don’t mention the war.’ (uit Fawlty Towers – voor degenen die dat niet weten :-)).

Totdat we twee dagen geleden een brief in de bus kregen van de gemeente. Dat onze bakfiets was gevonden en dat we ‘m op konden halen bij het fietsendepot! M. belde om zeker te weten of het de onze was. Of er een foto gestuurd kon worden. En ja hoor: daar op de foto stond onze eigen oude bakkie. Enigszins toegetakeld, maar het was ‘m toch echt. En dus toog M. naar het depot om ‘m op te halen en stond onze ouwe trouwe bakfiets opeens weer daar!

Een flinke tijd heeft de fiets op een plein in de buurt gestaan, wist de mevrouw bij het depot te vertellen. Een plein niet eens zo heel ver van ons huis vandaan. Een duif schijnt een tijdje in de bak gewoond te hebben, zo te zien aan de poep en veren en takjes. Omdat de bakfiets er maar stond en er duidelijk weinig mee gebeurde, heeft de gemeente er op een gegeven moment een sticker op geplakt. Daarna is de bak afgevoerd naar het depot, heeft daar nog een tijdje gestaan en daarna kwam iemand op het idee om het serienummer eens in de computer te gooien: bingo! De aangifte kwam tevoorschijn, de brief werd gestuurd and the rest is history.

Het gekke is dat ik er in het afgelopen jaar nooit echt overheen was gekomen. Ik was echt nog steeds verdrietig over het feit dat iemand onze mooie, trouwe bak op klaarlichte dag voor de deur mee had durven nemen. ‘Waarom doen mensen dat?’ vroeg zoon Z. dan ook boos vlak nadat het gebeurd was. ‘Omdat ze zich vervelen en niet weten hoe sip wij hiervan worden’ antwoordde ik dan.

En nu, en nu: nu is bakkie weer bij ons komen wonen! Na al die tijd het huis uit. We zijn zo blij! Soms komt het toch nog goed. Nu moeten we er wel voor zorgen dat die kinderen zelf blijven fietsen de komende tijd. Hoe dan ook: welkom terug bakkie, we hebben je gemist.

bakfiets