Open Dag

Er zitten al wat dames op leeftijd als ik druipend van de regen de kleine koffiekamer betreed. Aan een vrouw van de school die ons welkom heet, vraag ik of mijn mascara tot aan mijn kin is afgezakt. ‘Je ziet er prachtig uit.’ zegt ze. Of dat betekent of mijn mascara inderdaad overal zit of juist niet weet ik nu niet, maar ik besluit dat het niet uitmaakt. De dames op leeftijd hebben het over welke schrijfboeken door vrouwen zijn geschreven. ‘Kristien Hemmerechts. Ken je haar? Die heeft ook veel bijzondere dingen hierover op papier gezet.’

Met een kopje warme thee en een natte jas schuifel ik naar de ontvangstkamer waar al wat andere mensen klaar zitten. Vaders met dochters van in de twintig, dames van rond de vijftig, wat mannen en vrouwen van in de dertig of veertig – zoals ik – en een jongen die eruit ziet als zeventien. Ik zit op de stoel achter hem en hij ruikt naar Red Bull. Zenuwachtig kijkt hij de kamer rond. Ik voel me oud en jong tegelijk.

Eindelijk begint de introductie van de directeur. Hoe meer hij vertelt over de opleiding, hoe enthousiaster ik word. Ik wil dit ook. Hoe hard werken het ook is.

Daarna hebben we een proefles met een groepje van tien mensen. IJverig pennen ik en de anderen een uur lang mee met de opdrachten die we krijgen. Dan is het alweer afgelopen helaas. Hongerig storten we ons op de broodjes in de ontvangstkamer waarna we schuchter een gesprekje beginnen over of we ons aan gaan melden of niet. Ik spreek de docente die de proefles gaf. Een grande dame die alles wel eens meegemaakt schijnt te hebben. ‘Gewoon opgeven joh!’ zegt ze hartelijk.

Door de regen fiets ik heel blij weer naar huis.

Advertenties

Note to self: water geven

Tien jaar geleden zei een coach tegen mij: ‘Je plant wel zaadjes, maar je geeft ze geen water.’ Een opmerking die enorm is blijven hangen en af en toe als een oplichtende reclame slogan door mijn hoofd schiet.Want het is nog steeds op mij van toepassing, vrees ik. Heb ik dan niks geleerd in die tien jaar? Natuurlijk wel. Hoop ik…Maar de  dingen die ik echt graag wil, die stop ik blijkbaar in de aarde en dan wacht ik af. Totdat iemand anders ze water geeft. En dan kun je lang wachten, als u begrijpt wat ik bedoel.

Zo probeer ik al twee jaar mijn kinderboek op papier te krijgen en op de een of andere manier wil dit zaadje maar niet groeien. Maar om het nou met pot en al weg te gooien? Nee, dat vind ik zonde. Dan maar een nieuw zaadje planten? Of een oud verschrompeld plantje verzorgen en kijken of deze wel wil bloeien?

Hoe dan ook. Ik zit even vast wat het schrijven betreft. Vandaar de weinige stukjes hier. Maar ik geef niet op! En beloof mijn plantjes beter te verzorgen! Want in het echte leven heb ik juist groene vingers. Niet gelogen. Niets leuker dan een echt zaadje in de grond te stoppen en het plantje zo te verzorgen dat het mooi groeit en bloeit. Nu dit nog toepassen op mijn andere ambities…

 

Even nodig

Ik zit alweer drie dagen in het fijne huis van een collega om te schrijven, met uitzicht op weilanden, paarden, schaapjes, en een snelweg. M. bracht me met de auto en dus reden we eerst langs de supermarkt voor proviand. Daarna kwam ik drie dagen niet meer buiten (er was geen reden toe!) – behalve op het balkon. En sprak ik bovendien drie dagen met niemand. Behalve de buurvrouw die 1x aanbelde om zich voor te stellen en de vrouw die kwam collecteren voor het KWF.
Het voelde als een retraite: ik las, ik schreef, ik at, ik dacht na en ik luisterde muziek wanneer IK dat wilde. Ja, dat zijn heel bijzondere dingen als je moeder van twee kinderen bent. Dan is dat allemaal niet meer zo vanzelfsprekend. Vooral alles doen wanneer het mij goed uitkwam en niet omdat het nodig was. Zelfs mijn been en rug werkten mee en deden een stuk minder pijn! Ik kon zowaar zitten (niet te lang…) en ook echt ontspannen.
Over een uur komt M. me met de auto en de kinderen ophalen. Misschien moet ik even een stukje zingen zodat ik mijn stem uit kan proberen? Eens kijken of ie t nog wel doet? Of zou de buurvrouw dan weer aan komen bellen…

Zijn het mijn ogen?

Een jongen van een jaar of 25 loopt kordaat op me af en vraagt waar hij een jeugdboek over toneelspelen kan vinden. ‘Eh, ik werk hier niet’  zeg ik aarzelend. ‘ Oh’ zegt de jongen nu wat verlegen ‘ik zag je met een stapel boeken in je handen lopen, dus ik dacht dat je hier hoorde.’

Zomaar een middag in de bieb, met een stapel jeugdboeken (lectuur voor de vakantie!) in mijn handen en mijn kinderen die ergens in de buurt aan het rond rennen waren. Maar ik denk minstens de twintigste keer, misschien wel de dertigste, in mijn leven dat mensen denken dat ik ergens werk waar ik dus niet blijk te werken. Zelfs in een kledingwinkel in Barcelona werd ik eens aangesproken door een meisje dat meer wilde weten over enkele spijkerbroeken. Terwijl ik een kaart van de stad in mijn hand had!

Ik zie het maar als compliment. Blijkbaar kom ik betrouwbaar en zelfverzekerd over. Of zoiets. Anders weet ik het ook niet.

Aandachtsstrijd

Ik zit weer een paar dagen in het huis van mijn collega om te schrijven. Vooralsnog is het toch niet vliegen van de JSF het grootste nieuws dat tot me gekomen is. Dat hou ik even zo, in tegenstelling tot vorige keer, in november vorig jaar.
Ondertussen strijden twee plannen voor een boek om aandacht in mijn hoofd. Twee totaal verschillende boeken, in alle opzichten. Het is net als met kinderen: ze zijn totaal verschillend maar je allebei even lief. Bovendien wil je niet de ene voor trekken ten koste van de ander. Maar soms vraagt die ene net wat meer aandacht en vraag je je af: is deze aan de beurt of juist die ander? En zo ploeter ik hier voort met mijn schrijven en schaven. En dan heb ik nog eens een uitgever. Dat is het volgende plan.

Het leesvirus

Elke donderdagochtend ben ik leesouder in de klas van Zef. Dat is erg leuk om te doen en bovendien vertederend om te zien: al die kinderen in groep 3 die heel hard aan het werk zijn om te leren lezen en schrijven. De een gaat het wat makkelijker af dan de ander. Zo bleek toen de meester wat tegen ons wilde zeggen van de week. Namelijk, dat Zef zijn AVI heeft gehaald. Dat houdt blijkbaar in dat hij qua lezen op het niveau is van eind groep 3! “Ja, da’s wel wat eerder dan anders!” zei de meester er vrolijk bij.

Is er een groter woord dan trots? Dan zou ik dat gebruiken. Ik was in ieder geval zo trots dat ik bijna barstte. Want ik hou zelf zo veel van lezen. Niks fijner dan met een boek in een hoek, hoewel ik dat sinds de kinderen er zijn veel te weinig doe de laatste jaren…Maar goed, wel lezen we elke avond voor. En sinds Zef in groep 3 zit leest hij zelf ook elke avond een paar pagina’s.

Die donderdag in de klas vertelde de meester het ook aan de klas, dat Zef z’n AVI had gehaald, net als twee andere kinderen in de klas. Enkele kinderen begonnen te klappen. Daarna vroeg de meester aan Zef hoe dat kwam, dat hij zo goed kon lezen. Zef was stil. De meester zei: “Omdat je elke dag leest, toch?” Zef knikte. “En omdat je lezen leuk vindt, toch?” Weer knikte Zef braaf. Daarna mochten de kinderen zelf een boekje uitzoeken. Zef keek me glunderend aan.

’s Avonds bij het naar bed brengen hadden we het over de dag en Zef zei: “Als je niet kunt lezen, dan heb je niks te doen!”

Heel heel misschien heb ik dan toch dat leesvirus ook echt aan hem overgebracht. One down. One to go.

Twee

We waren met z’n tweeën. Papa heeft het er nooit over maar soms als mama me ‘s avonds naar bed brengt, vertelt ze iets. Soms veel, soms een beetje. Met ingehouden adem lig ik dan te luisteren en hoop dat ze niet meer stopt. Of het allemaal waar is wat ze zegt, weet ik eigenlijk niet, want ik durf het niet te vragen.

Het verhaal begint altijd zo: eerst was ik een klein zandkorreltje. Niet meer dan dat. En ik groeide en groeide en werd zo groot dat ik er uit moest. Toen ik twee zomers had meegemaakt, kwam zij. Mijn zusje. Zij was ook eerst een zandkorreltje. Maar toen ze er uit kwam, was het winter en was het eten bijna op. Bovendien was ze een meisje. Daar was papa niet blij mee.

Dat is altijd het moment dat mama stil valt. Ik durf niks te zeggen en wacht tot ze weer verder gaat.

‘Het is lang geleden jongen’ zegt mama dan vaak. Haar ogen zijn groot en donker en ze staart naar iets heel ver weg. Dan weet ik dat ze niet meer verder gaat vertellen.

Maar als ze ‘Ze was zo mooi en had prachtige zachte, zwarte haartjes’ zegt, dan gaat het verhaal gelukkig verder.

‘Papa wilde dat ik een gat zou graven en haar erin zou leggen. We zouden namelijk snel weer verder trekken om eten te zoeken en dan zou zij achter blijven. Ik wilde dat niet. En zo lag ik nachten lang wakker waarin ik probeerde te bedenken wat ik kon doen. Ik wist het niet en werd steeds moedelozer. Totdat die meneer kwam.´

Dit is altijd het punt dat ik mijn moed verzamel om vragen te stellen. Want ik wil het allemaal weten. ‘Welke meneer mama? Hoe zag hij eruit? Waar kwam hij vandaan? Waar nam hij haar naartoe?

Mama zegt dan alleen: ‘Hij was aardig en rustig. Die meneer. Hij lette op de walvissen en zou weer terug gaan naar het Zuiden. Hij zei dat hij haar altijd zou beschermen en ik geloofde hem. Meneer heeft haar meegenomen. Je zusje. Ze is nu veilig. Ga nu maar lekker slapen lieve jongen, het is al laat.’ Ze geeft me nog een kus en stopt me in.

s Nachts droom ik over een zusje met lange zwarte haren die naar me lacht en die ik ooit, ooit ga vinden.