De groep en het kasteel

Ik vind mezelf geen groepsmens. Ik kan wel functioneren in een groep maar over het algemeen kost me dat veel moeite en energie. Ik wijt dit altijd aan het feit dat ik enig kind ben: gewend om mezelf te vermaken en niet zo goed in groepsdynamiek.

Twee jaar geleden ontstond het idee bij enkele vrienden om samen Oud & Nieuw te vieren met een groep. Leuk voor de kinderen en daarom ook leuk voor ons. Ik vond het spannend, zo’n groep en het eerste jaar was het aftasten. Sommige mensen kenden elkaar goed en anderen kenden elkaar helemaal niet. Maar er ontstond een groepsgevoel waarbij we dezelfde humor deelden, er veel werd gedronken en heerlijk werd gegeten en het voelde goed. Vooral omdat de groep groot is, werkt het volgens mij: er is altijd wel iemand met wie je kunt kletsen, poolen of koken. Maar je kunt je ook even terugtrekken en dat is ook geen probleem, want iedereen let op elkaars kinderen en geeft elkaar de ruimte.

Dit jaar togen we met deze groep (ondertussen bestaande uit 23 volwassenen en 19 kinderen – 3 baby’s waren er ondertussen bij gekomen!) naar een kasteel in de Franse Ardennen. De heenweg was door een fikse sneeuwstorm en er was zelfs autopech bij een van de gezinnen. Door middel van de groepsapp hielden we elkaar op de hoogte en vingen we de gestrande vrienden met twee kleine kinderen op: de ene auto nam de mensen mee, de andere auto’s de bagage. Onze vriend die drie uur (!) bij de auto moest wachten op de wegenwacht werd uiteindelijk ook door vrienden naar het kasteel meegenomen. Blij viel eenieder elkaar die avond in de armen. We waren allemaal nog heel en het was tijd voor drank.

De week vloog voorbij en in tegenstelling tot eerdere jaren hadden we onze eigen kamers (in plaats van een slaapzaal) waardoor ik zelfs tot twee keer toe minstens een uur een boek heb kunnen lezen. Mijn kinderen zag ik nauwelijks, die trokken met de andere kinderen op en kwamen alleen langs als er een akkefietje was of als ze honger hadden.

Ondertussen waren wij volwassenen druk met praten, drinken, lachen en vooral heel veel en lekker eten (er zitten een paar ontzettend goede koks in het gezelschap!) en ook: spelletjes aan het spelen. Nog zoiets: ik hou dus niet van spelletjes, wat ik ook altijd aan mijn enig kind zijn toeschrijf. Maar in dit gezelschap kan ik het aan.

Op Oudjaarsavond trokken we allemaal wat moois aan en stonden we op een gegeven moment met een man of 15 in de grote kasteelkeuken oesters te eten en champagne te drinken terwijl The Prodigy door de speakers galmden. Daarna toog ik naar de ‘dansvloer’ (een gedeelte van de woonkamer die we vrij hadden gemaakt en waar de stereo stond en ik mijn telefoon inplugde voor mijn eigen playlist) en danste ik met vier anderen het nieuwe jaar in, tot er op een gegeven moment twee dronken Belgen binnen zwalkten die in het huis naast het kasteel verbleven. De volgende dag had ik spierpijn van het dansen. Nee, een beter begin van 2018 had ik me niet kunnen wensen!

Misschien moet ik ook maar concluderen dat ik stiekem toch een groepsmens ben. In bepaald soort groepen dan. Waar er goeie muziek wordt gedraaid (door mijzelf :-)), waar er lekker wordt gegeten en er fijne gesprekken gevoerd kunnen worden en vooral waar er veel humor aanwezig is. En waar die gesprekken dan over gingen? Ja dat zou je wel willen weten he….Maar je weet: what happens in the Castle, stays in the Castle!

 

Advertenties

Elk nadeel heb z’n voordeel

Ik had de griep. Echt de ouderwetsche griep met koorts, keelpijn, koude rillingen en overal pijn. Dat was lang geleden en erg ellendig. Na vier dagen zweten en nauwelijks eten, bleek er toch een voordeel te zijn: ik was afgevallen! Zoals hoofdpersoon Emily in The Devil Wears Prada zegt:’I’m just one stomach flu away from my goal weight.’ En dat bleek ook zo te zijn, want toen ik vandaag na vier dagen eindelijk weer had gedoucht (en zo lang dat het putje verstopt raakte en de halve badkamer overstroomde…), pakte ik een broek uit de kast en dat bleek mijn skinny jeans te zijn. Je weet wel, die ene die ik jaren niet aan kon, maar nu opeens wel. Ik voelde me Miranda in Sex and the City die na jaren haar broek weer aan kan. Opeens was ik dus weer op het gewicht dat ik had voor mijn twee zwangerschappen. Mijn gewicht van acht jaar geleden! In het grotere geheel der dingen maakt het allemaal niet zoveel uit, maar voor mij wel. En als mijn keelpijn echt weg is kan ik eindelijk binge-etend de kerst en het nieuwe jaar in. Ik trek die riem wat strakker aan en gaan met die banaan Swaan! Kom maar op met dat tien gangen diner.

Even nodig

Ik zit alweer drie dagen in het fijne huis van een collega om te schrijven, met uitzicht op weilanden, paarden, schaapjes, en een snelweg. M. bracht me met de auto en dus reden we eerst langs de supermarkt voor proviand. Daarna kwam ik drie dagen niet meer buiten (er was geen reden toe!) – behalve op het balkon. En sprak ik bovendien drie dagen met niemand. Behalve de buurvrouw die 1x aanbelde om zich voor te stellen en de vrouw die kwam collecteren voor het KWF.
Het voelde als een retraite: ik las, ik schreef, ik at, ik dacht na en ik luisterde muziek wanneer IK dat wilde. Ja, dat zijn heel bijzondere dingen als je moeder van twee kinderen bent. Dan is dat allemaal niet meer zo vanzelfsprekend. Vooral alles doen wanneer het mij goed uitkwam en niet omdat het nodig was. Zelfs mijn been en rug werkten mee en deden een stuk minder pijn! Ik kon zowaar zitten (niet te lang…) en ook echt ontspannen.
Over een uur komt M. me met de auto en de kinderen ophalen. Misschien moet ik even een stukje zingen zodat ik mijn stem uit kan proberen? Eens kijken of ie t nog wel doet? Of zou de buurvrouw dan weer aan komen bellen…

Kippie kippie kippie

Dat ik helemaal aan het buitenleven gewend was geraakt bleek bij thuiskomst: ik wilde de aspergeschillen bij het groenafval gooien en het oud brood aan de kippen geven. Een week lang kregen we elke ochtend maar liefst drie verse eieren van de gevederde vriendinnen. De vijf kakelende kipjes genaamd: the Spice Girls! Op de laatste dag bleek Posh uit het hok ontsnapt en liep los in de tuin. Ze was altijd al de meest eigenwijze van de vijf. Als kip dan. Het was ‘Chicken Run’, maar dan op het Brabantse platteland. s Ochtends lieten we het vijftal uit het hok.’Kom maar dames. Kom maar hoor.’ zei J. dan tegen de kippen, net zoals ze mij dat had horen doen en kwam Z. met een handje voer aan terwijl hij achter een kip aanliep: ‘Ik wil ‘m aaien maar het lukt niet. Paaaaapaaa, kun jij de kip vangen, pliieieies!’ Dan scharrelden de dames door de tuin, al poepend en pikkend. Soms kwam er bijna een kip op de trampoline, dan was er even paniek bij de kinderen. Bij de kippen evenzo.

En terwijl de kinderen en de kippen rondscharrelden, lag ik in de hangmat in de lentezon en mijmerde ik door over de vijftallen (Dolly Dots! The Jackson 5! Reservoir Dogs – zijn dat er wel vijf?) voor als ik ooit vijf kippen zou hebben. Of vijf poezen. Of het meest waarschijnlijk: vijf slakken.

Daarna ging ik qua mijmeren over wat we met al de eieren moesten doen. Want er viel bijna niet tegenop te eten. Wat mij dan weer aan ‘Forrest Gump’ doet denken als hij in het leger zit met Bubba: shrimp cocktail, shrimp omelet etc. etc. En dus maakten we zelf mayonaise met de eieren (verrassend makkelijk, maar de uitkomst was toch wat smakeloos helaas…dat moet dus nog een keer over), we bakten ze, we kookten ze, ik pocheerde ze (ook heel makkelijk blijkt!) en dacht na over romige salades en de heerlijke Deviled Eggs zoals mijn vader ze altijd maakte.

De definitie van vakantie wat mij betreft: nadenken over films, muziek en eten. En af en toe een pagina in een boek proberen te lezen. Het was heerlijk. Morgen weer terug naar het echte leven geloof ik.

Hummer

Oslo. Half maart. Avond, donker en sneeuw. Hoewel in Nederland de lente al voorzichtig te voorschijn aan het komen was, liepen we hier in de hoofdstad van Noorwegen over glibberige ijsstraten en met handschoenen aan.

Omars Schuld was geselecteerd voor het Eurodok filmfestival van het Noorse film instituut en beleefde daarmee zijn internationale première. En wij mochten daarbij zijn, met z’n tweeën. Dus ook een luxe weekend lang uitslapen en elke avond uit eten. Terwijl Zef zich ondertussen prima vermaakte bij opa en oma.

Na de prijsuitreiking van het festival (Omars Schuld was genomineerd, maar een Zweedse film had gewonnen – we hadden niet anders verwacht) glibberden we door de slecht verlichte straten van Oslo naar het visrestaurant waar we eerder op de avond gereserveerd hadden, via de telefoon. In ons 100% Oslo boekje stond dat dit de plek was, waar je moest zijn voor vis van het seizoen.

Bij binnenkomst bleek het een behoorlijk chique restaurant te zijn, vol met zakenmensen en een groot bassin met levende kreeften. We werden hartelijk ontvangen door een blonde dame die ons uitgebreid het menu van de dag voordroeg, waar we ondanks haar goede Engelse uitspraak nauwelijks wat van onthielden. Eerst maar eens wijn.

In Noorwegen zijn er dus geen euro’s maar is de munteenheid de Noorse kroon. Die moet je ongeveer door acht delen en dan weet je wat het bedrag in euro’s is. Dat doe je dus niet de hele tijd, omdat het een gedoe is, maar als je het wel doet, kom je er achter dat alles een aanzienlijk stuk duurder is dan in Nederland.

We bekeken de wijnkaart en kozen voor een klein flesje wijn, want voor de prijs van een hele fles kon je bijna een easyjet vliegticket naar Londen kopen. En besloten dat we zin hadden in die kreeft. Kreeft bleek in het Noors ‘hummer’ te heten en je had twee soorten in dit restaurant: de Amerikaanse en de Noorse. Onze ober bleek een charmante Noor te zijn die eerst zei dat we een uitstekende wijn hadden gekozen en daarna zei dat kreeft er inderdaad goed bij paste. “Die is goed in zijn vak” zei ik tegen M. “Hij is gewoon aardig” zei M.

We vroegen wat het verschil was tussen de Amerikaanse en de Noorse, want bij de Noorse kreeft stond er geen prijs op het menu. Het had een eerste aanwijzing kunnen zijn. Onze lieftallige Noorse ober zei dat de Noorse kreeften een stuk groter waren en per ons verkocht werden. Maar dat de kreeften nu in het seizoen waren en dat ze flink groot konden zijn. Dus dat we het beste een Noorse kreeft konden nemen en die dan samen konden delen. En dat het echt niet zo veel scheelde qua prijs met de Amerikaanse kreeft. “Zie je, hij denkt met ons mee” zei M. Ik knikte. We gingen voor de Noorse kreeft.

Onze ober had gelijk, het was een flinke joekel die ‘hummer’. Er zaten heerlijke sausjes bij en we stortten ons vol overgave op het beest, met al het gereedschap dat we er bij krijgen. Na een klein half uur, lag er een slagveld van wat eens een schaaldier was op ons bord en zat het witte linnen tafelkleed vol vetvlekken. Het was heerlijk. Maar we waren nu moe, rozig en vol wilden terug naar ons hotel na een lange avond, dus we vroegen onze aardige ober om de rekening.

De rekening kwam en we deden wat we eigenlijk niet hadden moeten doen: we rekenden uit hoeveel dit diner ons had gekost, in euro’s. “Oh het valt nog best mee” zei M. Toen viel er een stilte. “Wat is er?” vroeg ik.
“Ehm, ik dacht dat het vierhonderd nog wat  kronen was,” zei M “maar eh…er staat ook een 1 voor.”

Ik ga niet verklappen voor welk belachelijk bedrag we een kleine fles wijn en een Noorse hummer hebben gegeten, maar laten we zeggen, dat we ook een aanbetaling voor ‘hummer de auto’ hadden kunnen doen. Of een televisie hadden kunnen kopen. Of nieuwe designerschoenen. Maar ach, het was verder een redelijk goedkoop weekend geweest, omdat onze vlucht en verblijf vergoed werden als gasten van het festival.

Zo glibberden we giechelend over de sneeuw terug naar ons hotel. Die ober bleek inderdaad goed in zijn vak te zijn.

Kaas

Vanochtend at ik samen met Zef een boterham met kaas. Nou ja, hij at eerst de kaas van zijn boterham en de stukjes brood liet hij daarna voor wat ’t was. Ja, hij heeft zo zijn eigen ideeën over hoe een boterham opgegeten dient te worden.

Ondertussen probeerde ik hem het woord Kaas te leren. En hij zei mij ook na. Alleen klonk het elke keer net even anders. Zei ik kaas, zei hij oes. Zei ik weer kaas, zei hij eus. Zo gingen we een tijdje door.  Het was een leuk spelletje. En het deed mij aan deze geweldige sketch van Draadstaal/Nieuw Dier denken:

33

Vandaag heb ik de Jezus leeftijd bereikt. 33. Poe he. Ik hoop echter wel wat langer te leven dan de timmerman uit Nazareth.

Zef besloot vannacht een uur lang te gaan huilen. Zomaar. Dat vond ik niet zo’n fijn verjaardagscadeau. Maar vanochtend kreeg ik een doosje rozijntjes van ‘m (die hij met moeite af wilde staan) en een gulle lach. M. had slingers opgehangen en ze zongen voor me. Nou ja, Zef deed een poging tot “hoera!” zeggen.

In plaats van taart kocht ik vanochtend 3 haringen om te trakteren op mijn werk. Heb nu al heel veel zin in de lunch.

En nu dus gewoon An die Arbeit. Ach ja, het is ook gewoon maar een dag. Maar wel mijn verjaardag!