Het kan dooien

Ik begrijp dus helemaal niks van die schaatskoorts die in het land heerst. Ja, het ziet er heel mooi uit, zeker – al dat ijs en die ijzel – maar dat ik niet kan wachten om mijn schaatsen uit (of in?) het vet te halen, nou nee, niet echt. Sterker nog, ik heb helemaal geen schaatsen. Toen er nog strenge winters waren (lees: de jaren ’90) en de grachten in Amsterdam elk jaar flink dicht vroren en mijn vrienden enthousiast na school de schaatsen aantrokken, stuntelde ik ook wel eens wat op het ijs. Met een stoel en op de kunstschaatsen van mijn moeder, that is. De schaatstraditie zit gewoon niet in onze internationale familie: mijn moeder leerde ook niet schaatsen van haar Engelse moeder, terwijl haar vader op de Holland Amerika lijn voer. Mijn Amerikaanse vader groeide op in grote steden, waar fietsen een hobby is voor kinderen en schaatsen alleen door ijshockeyers wordt gedaan.

Een keer heb ik een echte schaatstocht gemaakt in Waterland. Het was denk ik de winter van 1993 en samen met een klasgenoot zouden we de kortste route nemen, terwijl de andere klasgenoten voor de lange tocht gingen. Maar ergens halverwege hebben we toen een verkeerde afslag genomen, waardoor we opeens de 15 kilometertocht reden. Hij zonder handschoenen en ik op mijn kunstschaatsen. Het waren een paar van de langste uren uit mijn jonge leven. Eens en nooit meer, dat heb ik mezelf toen voorgenomen. Sindsdien heb ik me goed aan dat voornemen weten te houden.

Advertenties